Maar een huis moet ook een klooster zijn, waarin het mogelijk is om absolute stilte te laten heersen, met volle trappen, dikke muren en cellen die contemplatie nopen, met vides die je in de hoogte zuigen en wandelgangen die het denken op gang brengen. Het moet een station zijn, met een hall en perrons waar je op de trein kan wachten. Het moet een bunker, een toren, een vesting zijn, die de bewoner omwalt en beschermt tegen de buitenwereld. De vesting moet uitnodigen om te worden ingenomen, door het zon- of maanlicht, door de bezoeker; maar laat ze maar even zoeken.
— Jan Braet in "Het witte huis"
 
 
 

Bouwen en wonen blijft een zoektocht. Vanuit de gedachte die Jan Braet zo treffend beschrijft, probeer ik hierop samen met de bouwheer een passend antwoord te vinden.
Een woning moet zich kunnen openstellen voor de wereld, maar tegelijk de bewoner een geborgen gevoel geven. Ze moet een plaats kunnen bieden aan alle herinneringen, objecten en betekenissen van de bewoners, zowel nu als in de toekomst.

Bouwen voor de toekomst betekent het bouwen van architectuur die vriendelijk is voor mens en natuur. Dat begint bij bepaalde ontwerp- en materiaalkeuzes. Daarnaast kunnen de principes van levenslang- en toegankelijk wonen een extra dimensie zijn om een woning mee te laten groeien met de bewoner.
Deze ontwerpvisie kan even goed op grotere schaal toegepast worden. In kantoren, industriebouw, scholen,.. wordt veel van onze tijd doorgebracht. Ook hier ligt een kans om te bouwen voor de toekomst, of beter, de toekomst te bouwen.

 

 
bron citaat: Braet, Jan, Het witte huis, in: Vandermarliere, Katrien, Van Hee, M. José, M; José Van Hee: ontwerpen 1977-1993, deSingel, Antwerpen, 1993, p14